De schoonheid van het Berner orgel in de Protestantse Kerk

 

In 1781 bouwde Eberhard Berner uit Osnabrück een orgel in de middeleeuwse kerk van Ootmarsum. Dat gebouw was sinds 1626 in gebruik bij de Hervormde Gemeente. Berner gebruikte een windlade en enig pijpwerk uit het bestaande orgel. Nadat in 1810 vanwege een besluit van koning Lodewijk Napoleon het oude kerkgebouw weer aan de Rooms-Katholieken werd toegewezen en het huidige hervormde kerkgebouw in 1811 was voltooid plaatste Georg Heinrich Quelhorst, toen gevestigd in het nabijgelegen Neuenhaus, het instrument over.

Quelhorst werkte van 1788 tot 1793 in het bedrijf van Eberhard Berner en nadien bij Jacob Courtain. In 1800 vestigde hij zich als zelfstandig orgelmaker en verhuisde in 1813 naar Oldenzaal waar hij een nieuw orgel bouwde in de St. Plechelmusbasiliek. In 1824 voerde Jacobus Armbrost uit Haaksbergen een dispositiewijziging door. Er volgden in de negentiende eeuw diverse reparaties waaronder in 1854 een omvangrijke herstelling van de balgen en windladen door Carl Friedrich August Naber uit Deventer, de stiefzoon van Quelhorst. In 1890 werd het orgel hersteld en gewijzigd door de orgelmakers C. Haupt & Söhne uit Ostercappeln en in 1912 door de firma J. de Koff uit Utrecht. In 1930 werd de oude windvoorziening door dit bedrijf vervangen door een magazijnbalg met een elektrische ventilator.

In samenhang met  de restauratie van het kerkgebouw werd in 1966 door Willem Hülsmann, namens de Orgelcommissie van de Nederlandse Hervormde Kerk,  een restauratieplan opgesteld dat vervolgens in 1970-1971 werd uitgevoerd door de orgelmakerij D.A. Flentrop uit Zaandam. Het orgel is tot op heden  in de toen gerealiseerde toestand bewaard.

De manualen – De knopjes zijn voor de bediening van de manuaalkoppel.

 

De huidige dispositie is als volgt:

 

Hoofdwerk:

 

Principal 8’  1781

Bourdon 16′  1781

Gedekt 8′  1781

Quint 6’

Octaaf 4′ 1781

Fluit does 4’ voor 1781

Woudfluit 2’ 1781 en ouder

Sesquialter III 1971

Mixtuur V  1781

Fagot 16’ 1971

Bovenwerk:

 

Prestant 4′ 1781

Roerfluit 8’ 1781 en ouder

Quint 3′ 1781 en ouder

Gemshoorn 2′ 1824 (is in feite een Octaaf 2’)

Scherp II 1971

Mixtuur III-IV 1971

Dulciaan 8’ 1824

 

 

Pedaal:

 

Principaal 16’ 1781

Octaaf 8’ 1781 en ouder

Ruispijp III 1781 en ouder

Bazuin 16’ 1781

Cinq 2’ (4’) 1971

 

 

Gehalveerde manuaalkoppel

Tremulant Bovenwerk

Geen pedaalkoppel

 

De omvang van de manualen is C t/m c³ (49 tonen) van het voetklavier C, D t/m c¹ (24 tonen).

 

Momenteel is een hernieuwd onderzoek van het archief en het historische pijpwerk gaande. Het was al bekend dat er naast het pijpwerk van Berner uit vroegere bouwfasen materiaal aanwezig is, waaronder pijpen die bij het vorige orgel in het front stonden. Voor een deel is het oudere pijpwerk uit de zeventiende eeuw en vroege achttiende eeuw, maar er is ook een deel dat onmiskenbaar uit de zestiende eeuw stamt. Het orgel is een historisch document tussen de orgelbouw uit de tweede helft van de achttiende eeuw in het Osnabrücker Land en de negentiende eeuw in Oost Nederland.

En bovendien is het orgel  van een hoge kwaliteit en klankschoonheid.

 

← labium van een voormalige

frontpijp die geheel verguld was

 

 

 

 

 

Aart van Beek – orgeladviseur